De haard brandt

nu een museum waar men ook een tiental cottages ter verhuur aanbiedt, fraai gelegen, omgeven door eindeloze bossen, in een prachtig heuvelachtig gebied, bij een klein meertje, Osgood Pond, aan het einde van de weg. Het gezelschap: twee erop uit gestuurde kinderartsen en hun volgzame mannen. Tonny leest een boek en de meisjes praten bij. Zes maanden ervaringen in respectievelijk Boston en Toronto moeten uitgewisseld worden, zodra ze binnen elkaars gehoorafstand zijn is er wel een nieuw verhaal te vertellen. Een jaar geleden hebben we dit tijdens een dinertje bedacht. Zij zouden in Boston gaan wonen, wij in Toronto en kort ervoor had ik een artikel gelezen over een trektocht door de lege Adirondacks. Het is een groot nationaal park in het Noorden van de staat New York. Wij komen tot de ontdekking dat dat park precies in het midden van onze toekomstige verblijfplaatsen ligt en besluiten dat we daar gezamenlijk de jaarwisseling 2006/7 zullen gaan beleven. Nu is het zover. In de herfst hebben we het internet afgestruind en na enige e-mails en Skype-gesprekken deze plek gekozen. Het blijkt een goede keuze, het huisje is oud maar gezellig en schoon, voorzien van alle noodzakelijke faciliteiten, zonder overdreven aankleding. Zelfs de muizen hebben het er naar hun zin.

Als we mijn ouders op tweede kerstdag op het vliegtuig hebben gezet pakken we de koffers om de volgende dag af te reizen. Helaas worden we samen ’s nachts wakker met een stevige buikgriep en besteden lange tijd op de toilet. Derde kerstdag brengen we gedwongen samen in bed door. Ook de volgende ochtend voelt het nog niet lekker dus bellen we Debby en Tonny dat we nog niet zullen komen, wellicht morgen. Maar na een douche en een voorzichtig ontbijt, kijken we elkaar aan terwijl we op de bank zitten. We moeten maar gaan. We voelen ons nog niet lekker, maar hier hebben we zo lang naar uitgekeken en die twee uit Boston alleen in dat hutje… We besluiten de gepakte koffers in de auto te zetten en als we ons dan nog een beetje goed voelen weg te rijden.

Een uurtje later zitten we op de snelweg en rijden Toronto uit. Het is ruim drie uur rijden naar de grens met de VS. Ook al is het eind December er ligt nog steeds niet veel sneeuw. Zo ongeveer bij Kingston (na 200km.) als het wat heuvelachtiger wordt is hier en daar een poedersuikerlaagje te zien op de gelig bruine velden en tussen de kale bomen.

Na Brockville slaan we rechtsaf. Hier is de grens en we zijn in afwachting of de spannende verhalen die we daar over gehoord hebben, strenge ondervragingen en lange wachttijden waarheid zullen worden. Een hoge smalle brug leidt ons over de St Lawrence rivier, daarna de grenspost. In een wachthokje staat een brede douane/immigration ambtenaar. Hi Folks, where are we heading tonight? Met welke reden, welke nationaliteit hebben jullie, eerder in de VS geweest, en hoe lang geleden, nog iets aan te geven, kan de kofferbak even open? We geven braaf onze antwoorden. Niets aan te geven, oeps even de vier liter wijn vergeten, maar ja die zit in een doos, de bak gaat weer dicht, of we even verderop willen parkeren, en ons dan binnen willen melden. Hij neemt onze paspoorten mee en verdwijnt in het gebouwtje. Als we binnen lopen wordt ons gevraagd plaats te nemen, het is gelukkig niet druk, er zit een vrouw met drie kids en een ander stel. In Sas haar paspoort zit nog een visumbriefje van haar bezoek aan Baltimore jongsleden maart. Oops this can be a problem, you may be still be registered, maar we raken er niet door van slag. Hij geeft aan dat de formaliteiten $ 6 kosten, of we even willen betalen, helaas creditcards en canadese dollars worden niet geaccepteerd, gelukkig kan de tax free shop om de hoek wisselen, want zover waren we nog niet. Hij zal ondertussen de formaliteiten vervullen. Er worden wat formulieren ingevuld, onze vingerafdrukken worden vastgelegd en er wordt een mooi fotootje gemaakt, nu zijn we dus officieel vastgelegd. Even nog jaagt hij de stuipen op ons lijf omdat ons paspoort niet zou beschikken over de vereiste chip met digitale info. Gelukkig hoeft dat alleen voor paspoorten van na oktober 2006. Na twintig minuten staan we dan weer buiten, dat is dus nog best goed gegaan.

We rijden de VS in en zullen via een aantal kleinere wegen de laatste tweehonderd kilometer afleggen. Het wordt wat heuvelachtiger, ietsje meer sneeuw en we rijden door kleine dorpjes, Canton, Heuvelton, Potsdam en zien een aantal keren de naam van Rensselaer. Dit gebied behoort tot de langst door Europeanen bewoonde gebieden van Noord-Amerika, Nederlanders speelden hier een belangrijke rol. Van Rensselaer is een Nederlander die begin zeventiende eeuw naar Manhattan verhuisde, toen in bezit van de WIC en omdat hij daar niets mocht beginnen het binnenland in trok en in het huidige Albany (toen Beverwijck) voor een appel en een ei land kocht van de indianen dat strekte tot de eerstvolgende bergen, en dat is zo ongeveer hier. Ik las er over in het boek The Island at the Center of the World, en zie hier zijn naam terug komen. Rensselaerswyck zou bijna een miljoen acre groot worden en honderdduizend pachters omvatten.

Dan als de wegen steeds kleiner zijn geworden en we in het dorp Paul Smiths zijn aangekomen, is er linksaf de afslag naar de White Pine Road, een ongeasfalteerd pad, na vier kilometer het hek, met daarachter de cottages, waar rook uit de schoorsteen komt. Op een parkeerplaatsje vinden we de op bostonny.nl beschreven bolide, en in het keukentje van het huisje: onze vrienden, die hard bezig zijn een heerlijk ruikende pan tomatensaus bij de spaghetti te koken, het is geweldig en een beetje vreemd ze weer te zien, ver van huis op deze willekeurig gekozen plek op dat andere continent…

 Website White Pine Camp (klik)